In dit artikel gaan wij in op het belang van een uitgekiende inkomensplanning in Box 1 na invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001. Met name als u eerder wilt stoppen met werken dan op het moment waarop uw pensioen ingaat, dient u rekening te houden met de beperkingen ??⬨¬©n de mogelijkheden van de nieuwe belastingwet en de huidige pensioenwetgeving. In het huidige belastingstelsel bestaat het belastbaar inkomen onder meer uit salaris, pensioen en lijfrente, maar ook uit rente, dividend, huur en de opbrengsten uit een aanmerkelijk belangpakket. Alles wordt bij elkaar opgeteld, de aftrekposten gaan er van af en er blijft een belastbaar inkomen over waarover u progressief inkomstenbelasting verschuldigd bent. Alleen voor de inkomsten uit aanmerkelijk belang geldt ook nu al een apart tarief van 25%. Voor het overige maakt het niet meer uit wat de bron van het inkomen is.
Op 1 januari is met de Wet Inkomstenbelasting 2001 een geheel ander belastingstelsel ingevoerd.
Men zou ook kunnen zeggen dat er drie belastingstelsels worden ingevoerd. Elke zogenaamde box
krijgt zijn eigen regels en eigen tarieven. Salaris, pensioen en lijfrente worden belast in
Box 1, die nog het meeste lijkt op het huidige belastingstelsel. Bent u aanmerkelijk
belanghouder, dan komt u met dat aandelenpakket terecht in Box 2. Alles wat niet belast wordt
in Box 1 of Box 2, wordt belast in Box 3. U met dan met name denken aan vermogen in de vorm
van spaar- en beleggingstegoeden, de tweede woning of ander beleggingsonroerend goed.
Onderlinge verrekening tussen de boxen is behoudens een enkele uitzondering niet mogelijk.
U kunt dus een negatief inkomen in Box 1 niet verrekenen met een positief inkomen in Box 3.
Het volgende voorbeeld maakt duidelijk hoe een negatief inkomen in Box 1 kan ontstaan.
U wilt op uw 58e verjaardag stoppen met werken. Uw pensioen gaat weliswaar pas in op uw 65e verjaardag, maar u beschikt naar verwachting over voldoende belegd vermogen om de periode tussen 58 en 65 jaar te overbruggen. Bovendien beschikt u naast uw eigen woning nog over onroerend goed, waaruit u jaarlijks flinke huuropbrengsten ontvangt. Op de eigen woning, die een WOZ-waarde heeft van € 450.000,-, rust een aflossingsvrije hypotheek van € 600.000,-, waarvoor u jaarlijks 6% rente betaalt.
Er lijkt niet veel aan de hand, maar u moet er bij stil staan, dat uw beleggingen en uw verhuurd
onroerend goed in Box 3 belast worden. U heeft tussen 58 en 65 jaar geen inkomen meer in Box 1.
De rente op de hypotheekschuld is alleen aftrekbaar van uw inkomen in Box 1. Heeft u daar geen
inkomen, dan gaat ook de aftrek van de betaalde hypotheekrente verloren.
Als u zeer vermogend bent ligt u er misschien niet wakker van dat de hypotheekrente niet meer
tot belastingteruggave leidt, maar de meeste Nederlanders betalen niet graag belasting die bespaard
kan worden. Het probleem kan op twee manieren worden opgelost. De aftrekpost kan worden opgeheven
door de hypotheek af te lossen of er kan wel inkomen in Box 1 gecreëerd worden.
Als u de hypotheek aflost en geen hypotheekrente meer betaalt, dan is een inkomen in Box 1 niet meer
strikt noodzakelijk. Voor de aflossing moet u echter vermogen gaan gebruiken waarmee u wellicht een
hoger rendement kunt maken dan de hypotheekrente die u betaalt. Zeker als die hypotheekrente wel
aftrekbaar zou zijn kunt u in veel gevallen al zonder beleggingsrisico een hoger netto rendement in
Box 3 halen dan de netto hypotheekrente. Stel: u leent tegen een variabele rente van 5,5%. Na aftrek
tegen 52% belasting resteert een netto rente van 2,64%. Als u uw eigen middelen op een spaarrekening
zet met een rente van 4,25%, dan houdt u daarvan na aftrek van 1,2% vermogensrendementsheffing 3,05%
aan over. Zonder risico bedraagt uw winst dus al 0,41%. Zet u de hypotheekrente voor 10 jaar vast en
koopt u met uw eigen geld een 10-jarige staatsobligatie, dan wordt uw voordeel alleen maar groter.
Het aflossen van de hypotheek is meestal dus niet de meest optimale oplossing.
Blijven werken is de makkelijkste manier om Box 1 gevuld te houden. Het gaat echter te ver om alleen
vanwege de hypotheekrenteaftrek te blijven werken. Als het salaris wegvalt blijven pensioen en lijfrente
over als mogelijke inkomstenbronnen in Box 1. Weliswaar blijft ook het eigen woning-forfait een bron van
inkomen in Box 1, maar meestal is de hoogte hiervan aanzienlijk lager dan de betaalde hypotheekrente.
Het meest gebruikte en meest voor de hand liggende instrument om voor inkomen te zorgen in een periode waarin er anders geen of weinig inkomen zou zijn, is de lijfrentepolis. Met name is dit interessant als u de stortingen tegen het hoogste belastingtarief kunt aftrekken en als de uitkeringen vervolgens tegen een lager tarief weer belast worden. Als u in het verleden al stortingen heeft gedaan, dan heeft u die wellicht afgetrokken tegen het huidige toptarief van 60% of zelfs tegen het vroegere toptarief van 72%. Vanaf 2001 betaalt de fiscus nog slechts voor maximaal 52% mee aan uw lijfrentestorting. Een wezenlijk fiscaal voordeel wordt pas bereikt als de uitkeringen in de periode tussen 58 en 65 jaar met maximaal 42% belast worden. Dit komt neer op een belastbaar inkomen tot maximaal ongeveer € 47.500,-. Als we rekening houden met de hypotheekrenteaftrek en de bijtelling van het eigen woning-forfait, zal de jaarlijkse lijfrenteuitkering nog ruim € 32.500,- hoger mogen zijn. Voor een jaarlijkse uitkering van bijvoorbeeld € 80.000,- zult u op 58-jarige leeftijd een beschikbaar lijfrentekapitaal moeten hebben van ongeveer € 480.000,-. Om dit te bereiken zult u tijdig moeten beginnen, hoge stortingen moeten doen en een goed rendement moeten maken. De vraag is of dat allemaal zal lukken. Bent u niet meer de jongste, dan wordt het al moeilijk. Bovendien zijn de mogelijkheden om nog hoge lijfrentestortingen te doen sinds 1 januari 2001 fors beperkt.
Iedere belastingplichtige heeft sinds de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 recht op een lijfrenteaftrek van € 1.036,-. Anders dan in het huidige stelsel mag u de basisaftrek van uw partner niet zelf gebruiken. Een hogere lijfrenteaftrek is alleen mogelijk bij een aantoonbaar pensioentekort. Hiervan is alleen sprake als uw huidige pensioenregeling tekort schiet, niet als u een pensioentekort heeft opgelopen doordat u te laat begonnen bent met het opbouwen van pensioen of doordat u door wisseling van werkgever één of meerdere pensioenbreuken heeft opgelopen. Als u nu 45 jaar bent en u mag jaarlijks slechts € 1.036,- aan lijfrentepremie aftrekken, dan zal uw rendement extreem hoog moeten zijn om op 58-jarige leeftijd over € 480.000,- te beschikken.
Als het met lijfrentestortingen niet gaat lukken, blijft pensioen over als planningsinstrument. Pensioen lijkt
minder flexibel dan lijfrente, maar toch zijn er mogelijkheden. De Wet Fiscale Behandeling van Pensioenen,
die op 1 juni 1999 is ingegaan, maakt het mogelijk dat het pensioen op elk gewenst moment ingaat. Als u op
58-jarige leeftijd met werken stopt, dan kan ook uw pensioen op dat moment ingaan. U hoeft dus niet te wachten
tot 65 jaar. Uiteraard zal uw pensioen een stuk lager worden als u het vanaf 58 jaar laat uitkeren dan wanneer
u het vanaf 65 jaar laat uitkeren. Een lager pensioen vanaf 58 jaar zal echter een lagere belastingdruk met
zich mee brengen dan een hoog pensioen vanaf 65 jaar. Bovendien bereikt u hiermee dat u altijd een inkomen in
Box 1 houdt.
Veel pensioenregelingen zijn gebaseerd op een jaarlijkse opbouw van 1,75%. Bij 40 jaar opbouw wordt dan een
pensioen opgebouwd ter grootte van 70% van het laatstverdiende salaris. Omdat bijna niemand meer 40 dienstjaren
maakt en al helemaal niet bij dezelfde werkgever, biedt de al eerder genoemde Wet Fiscale Behandeling van
Pensioenen de mogelijkheid om 2% per dienstjaar op te bouwen. Voorziet de pensioenregeling van uw bedrijf nog
niet in die hogere opbouw, dan bestaan op dat gebied dus nog mogelijkheden. Verder vindt de pensioenopbouw
plaats op basis van de hoogte van het salaris. Een hoger salaris zorgt dus voor een hoger pensioen. Als u als
directeur in loondienst werkzaam bent, dan zijn wellicht de mogelijkheden beperkt om uw salaris te verhogen.
Als u echter directeur-eigenaar van uw eigen BV bent, dan heeft u wel invloed op de hoogte van uw salaris.
Misschien heeft u in het verleden om fiscale redenen uw salaris aan de lage kant gehouden. Een dividenduitkering
was immers met 51,25% (gecombineerde heffing van vennootschapsbelasting en aanmerkelijk belangheffing) lager
belast dan een hoog salaris, waarbij over de top maximaal 68% (Inkomstenbelasting plus Vermogensbelasting)
werd geheven. Sinds 1 januari 2001 is er door verlaging van de tarieven en afschaffing van de Vermogensbelasting
geen fiscale reden meer om het salaris laag te houden. De mogelijkheid om meer pensioen op te bouwen is juist
een uitstekende reden om het salaris te verhogen.
Als u al op korte termijn met werken wilt stoppen, geen pensioen heeft opgebouwd en geen tijd meer heeft om een lijfrentekapitaal op te bouwen, kunnen wij u nog het volgende adviseren. Zoals al gezegd is aflossen van de hypotheek een mogelijkheid, tenminste als u over de middelen beschikt. Wilt u de schuld in stand laten, dan bestaat er toch een mogelijkheid om de pijn te verzachten. Deze mogelijkheid bestaat uit het overbrengen van de schuld van Box 1 naar Box 3. In beide boxen heeft u in uw situatie geen baat bij de hypotheekrenteaftrek (afgezien van het salderen met het eigen woningforfait in Box 1), maar in Box 3 leidt de schuld tot een forse besparing op de vermogensrendementsheffing. De schuld wordt immers in mindering gebracht op het vermogen in Box 3. Zolang de schuld zich in Box 1 bevindt, gebeurt dat niet. De vraag is nu alleen hoe de schuld van de ene naar de andere box gebracht kan worden. Als de schuld aangegaan is voor de aanschaf, verbetering of onderhoud van de eigen woning, valt de schuld in Box 1. Als nu beleggingen worden verkocht om die schuld af te lossen en vervolgens een nieuwe lening wordt aangegaan voor het kopen van aandelen, zou die nieuwe lening in Box 3 terechtkomen. Waarschijnlijk zal de fiscus deze constructie 'doorprikken' als er enig causaal verband te ontdekken valt. Dit zal moeilijk zijn als er enige tijd zit tussen het aflossen van de ene schuld en het aangaan van de nieuwe schuld en als de bedragen niet exact gelijk zijn.
Als het verschuiven van de schuld lukt moet u wel beseffen dat het terugschuiven van de schuld naar Box 1 niet meer mogelijk is. Vanaf het moment dat u een AOW-uitkering ontvangt zou het weer aantrekkelijker kunnen zijn de schuld in Box 1 te hebben. Dit bereikt u dan alleen door voor de aankoop van een nieuwe woning een nieuwe schuld aan te gaan.
Peter de Vries (48 jaar) is algemeen directeur van een grote handelsonderneming. Zijn salaris bedraagt € 115.000,- per jaar. Daarnaast heeft hij diverse secundaire arbeidsvoorwaarden, waaronder een premievrij pensioen. Op basis van de opgave van de pensioenverzekeraar kan hij een jaarlijks ouderdomspensioen verwachten van ongeveer € 50.000 vanaf zijn 65e verjaardag. Daarnaast zal hij een AOW-uitkering krijgen. In het verleden heeft Peter tevens een lijfrenteverzekering afgesloten waarvan de premies zijn belegd in een aandelenfonds. De te verwachten eindwaarde van de polis bij 65 jaar is ongeveer € 400.000,- waarmee hij een levenslange lijfrente kan aankopen van circa € 28.000 per jaar. Er is dan al rekening gehouden met het stoppen van premiebetaling met ingang van 2001. De lijfrentepolis heeft Peter in 1989 afgesloten, zodat hij nog gebruik maakt van het belastingregime van voor de Brede Herwaardering.
Peter is echter niet van plan om door te blijven werken tot zijn 65e jaar. Samen met zijn echtgenote heeft hij al jaren geleden besloten dat het met 58 jaar best afgelopen mag zijn met het drukke werkzame leven. Daarom heeft hij een planning laten maken waarin wordt geschoven met het geld dat hij heeft opgebouwd in zijn pensioenregeling en in zijn lijfrenteverzekering. Het advies komt erop neer dat hij:
Peter maakt op deze wijze optimaal gebruik van de mogelijkheden die hij heeft met zijn pensioen en de lijfrentepolis.
Bovendien kan hij de hypotheekrente blijven betalen met behoudt van de fiscale aftrek.
Geplaatst door: